Please use widgets to populate the sidebars

OVS

De Ondergrondse Vakschool (OVS)

In januari 1945 opende de eerste Ondergrondse Vakschool (OVS) de deuren, op Staatsmijn Hendrik in Brunssum. De OVS beoogde jongens meteen na de lagere school een basisopleiding tot mijnwerker te geven. Door jongens al op jonge leeftijd aan de mijn te binden, hoopte men de personeelsvoorziening voor de toekomst zeker te stellen. In deze periode van wederopbouw moest de kolenproductie immers omhoog en daarvoor waren veel mijnwerkers nodig. Daarom werd het initiatief van de mijnen door de Rijksoverheid gestimuleerd en deels gefinancierd. In de loop van 1945 werd op 11 van de 12 mijnzetels een OVS opgericht. Alleen de Oranje-Nassau III en IV moesten een OVS delen. Op de mijnterreinen of in de onmiddellijke nabijheid daarvan werden nieuwerwetse gebouwen opgetrokken die de Vakscholen moesten huisvesten. De minister van Sociale Zaken stelde voor de bouw twee miljoen gulden (ruim 900.000 Euro) ter beschikking.

Het onderwijsprogramma van de OVS was op elke mijn hetzelfde. De opleiding kende in principe drie leerjaren. Het eerste jaar stond in het teken van de overgang van de lagere school naar het bedrijf. Het was een combinatie van spel, klassikaal onderwijs en lichte werkzaamheden in een zogenaamde jeugdwerkplaats. Veel was gemodelleerd naar de verkennerij. De OVS-klas heette ‘troep’ en was onderverdeeld in vier groepen van zes, elk met zijn eigen home of honk. De jongens droegen een uniform, een blauwe overall waarop het OVS-insigne prijkte. Elke werkdag begon met het hijsen van de Nederlandse vlag en het voorlezen van de zogenaamde OVS-wet: 10 geloften waaraan elke OVS-er zich moest houden. Veel aandacht was er voor scoutingvaardigheden, zoals het leggen van knopen, bouwen van houten bruggen, werken met het kompas en maken van survivaltochten.

Het tweede leerjaar stond in het teken van de kennismaking met het bedrijf en het arbeidsritme in de mijn. Dat kwam er op neer dat de vakscholieren in het bovengrondse bedrijf aan het werk werden gezet. Daar moesten ze mijnhout opstapelen, spoorrails aanleggen, schoonmaken en aan de leesband stenen uit de naar boven gebrachte kolen halen.

Het derde en laatste jaar van de OVS was gericht op beroepsvoorbereiding. De OVS-ers gingen dan voor het eerst ondergronds. Ze waren dan gemiddeld 17 jaar. Het werk ondergronds werd voorbereid in de leermijn. Dat was een nagebootste mijn, aangelegd in de steenberg van het bedrijf. Daar kregen de scholieren van ervaren mijnwerkers praktijkles in de werkzaamheden die in het ondergrondse bedrijf werden verricht.

Wanneer een OVS-er het derde jaar had doorlopen en 18 jaar was, volgde plaatsing ondergronds. Daar kreeg hij nog een vervolgopleiding, waarin hij verschillende functies doorliep. Rond zijn 22e kreeg hij gewoonlijk de functie van houwer en kon hij zich volleerd mijnwerker noemen.

De Ondergrondse Vakscholen sloten in 1968, tijdens het proces van mijnsluitingen.

Bronnen:

- F.H.G. Engelen, 60 Jaar Mijnschool Heerlen 1913-1973 (z.p. z.j)
- J.C.G.M. Jansen, Het voortgezet onderwijs in Heerlen in de 20e eeuw (Heerlen 2005)
- Rob Wolf, ‘De vakopleiding’ In: Jac. van den Boogard e.a. (red.), Onder de rook van de mijn. Het leven van de mijnwerker in Zuid-Limburg (Zwolle 2011) 83-103